Babyopvang en de Nederlandse deeltijdeconomie

Babyopvang en de Nederlandse deeltijdeconomie

Productgroep BBMP 02 2025
4,95
Gratis voor abonnees.

Omschrijving

De geboorte van een kind is over het algemeen een feestelijke gebeurtenis. Maar als de beschuitkruimels zijn opgeruimd en het laatste kraambezoek is uitgewuifd, is het ook weer back to basic. Het leven neemt z’n gewone gang en agenda’s moeten worden afgestemd op de nieuwe werkelijkheid. De combinatie van arbeid en zorg is voor iedere kersverse ouder steeds weer een zoektocht.

Gelukkig kunnen nieuwe ouders een beroep doen op bepaalde faciliteiten: een moderne samenleving is redelijk ingespeeld op werkende ouders en probeert ondersteuning te bieden in tijd (verlof), diensten (kinderopvang) en geld (kinderbijslag). Nederland kent in dit verband een heel bijzondere variant: wij doen vrijwel alles in deeltijd. Niet alleen werken we veel meer in deeltijd dan in andere landen, ook verlof en kinderopvang worden in deeltijd op- en afgenomen.

Voor de combinatie van arbeid en zorg betekent dit dat er niet sprake is van een volgtijdelijk model – eerst ouderschapsverlof en dan kinderopvang – maar van een parallel model: deeltijds verlof wordt gecombineerd met deeltijdse kinderopvang.

Dit klinkt allemaal flexibel en taylormade, maar dit systeem kent een belangrijk nadeel: in Nederland gaan kinderen relatief jong naar de kinderopvang. Hoe zit dat eigenlijk precies met die babyopvang en het deeltijdse werken?

Baby’s in de kinderopvang
Laten we beginnen met een paar cijfers. In 2023 maakten volgens het CBS (op een willekeurige peildatum) 56.000 baby’s gebruik van de kinderopvang, waarvan 14 procent in de gastouderopvang. Gegeven de gestage groei van de sector gaan we ervan uit dat er in 2025 zo’n 60.000 baby’s gebruikmaken van de kinderopvang. 

Voor kinderen van 1 jaar is dat bijna het dubbele. Veel ouders verlengen de duur van het bevallingsverlof met vakantie- en ouderschapsverlofdagen, zodat lang niet alle 0-jarigen gebruikmaken van kinderopvang. In de praktijk gaan de meeste baby’s rond 4 maanden naar de kinderopvang, voor twee dagen in de week.

Dit typisch Nederlandse model is niet vanaf de tekentafel bedacht, maar organisch zo gegroeid. Toen in de laatste decennia van de vorige eeuw in Nederland steeds meer vrouwen actief werden op de arbeidsmarkt was dat vooral in deeltijd. Deeltijdse arbeidstijden vragen om deeltijdse kinderopvang en zetten minder druk op de kinderopvangcapaciteit. Niet alleen direct, omdat de vraag minder groot is, maar ook indirect omdat er meer ruimte is voor informele oplossingen, oftewel opa’s en oma’s die makkelijker een dagje kunnen bijspringen.